Vage kreupelheden deel 2

 

 

In dit deel zal ik een aantal voorbeelden geven van kreupelheden zoals die aangeboden worden op de kliniek. Zoals eerder gezegd is er niets vaags aan een paard dat op drie benen staat door een hoefzweer. Maar een nagel die niet in het leven zit maar er net tegen aan kan in plaats van een heftige een vage kreupelheid geven. Zit de nagel in het leven dan openbaart zich het acuut kreupele paard omdat er een forse onsteking en vaak ook infectie in de voet optreedt.
Ook kunnen bij paarden met dunne zolen kneuzingen onder de zool optreden. Als deze niet infecteren zijn ze lastig vast te stellen omdat er geen zwelling en warmte ontstaat maar wel pijn. Door het verdoven van de ondervoet verdwijnt de kreupelheid (grotendeels) maar dat gebeurt ook bij een paard met hoefkatrolontsteking.


Een goed moment om stil te staan bij het veel besproken fenomeen van de hoefkatrol. Hoefkatrol en hoefkatrolontsteking worden door elkaar gebruikt maar ieder paard heeft een hoefkatrol en pas als daar dingen fout gaan ontstaat er een ontsteking. Onder ontsteking verstaan we hier een reactie van het lichaam op een aandoening in de hoefkatrol. Ontsteking is absoluut niet hetzelfde als infectie. Bij infectie spelen bacteriën een rol en dan is er meestal een verbinding naar buiten bijvoorbeeld door een wond of doordat er iets naar binnen is gedrongen (iets scherps of een ontspoorde hoefnagel). De hoefkatrol bestaat uit een botje dat tussen de buigpees en het hoefbeen ligt. Dit botje maakt de kracht van de buigpees op het hoefbeen kleiner, het werkt dus echt als een katrol. Het botje is bekleed met kraakbeen waardoor de buigpees er soepel overheen kan glijden. De hoefkatrol bestaat ook uit een aantal bandjes waarmee het botje vast zit. Soms ontstaan er problemen in het bot van de hoefkatrol en dat is zichtbaar op een röntgenfoto.
Veel vaker zitten de problemen niet alleen in het bot maar ook in de diepe buigpees en de ophangbandjes. Soms is dat op de foto te zien maar niet altijd. Met een MRI zijn ook de pezen en de bandjes zichtbaar te maken maar dit is een kostbaar onderzoek (€500 tot 1000). Problemen in de hoefkatrol openbaren zich meestal sluipend: het paard werkt niet graag, is wat stijf, gaat scheef lopen of krijgt onverklaarbare spierpijn, wordt zuur qua karakter of weigert zelfs het werk. In een later stadium ontstaat er echte kreupelheid. Door het verdoven van bepaalde zenuwen in de voet kan de dierenarts de plaats van de pijn bepalen: zit de oorzaak in het verdoofde gebied dan gaat het paard anders (vaak beter) lopen.
Het verdoven doen we van onderen naar boven want als je bovenaan zou beginnen dan is direct het hele gebied daaronder verdoofd omdat de zenuwen van boven naar beneden lopen.


Ook het hoefgewricht kan aanleiding geven tot vage kreupelheidsklachten. Bekend is de overhoef waarbij er nieuw bot wordt gevormd en het gewricht onregelmatig van vorm wordt. Dit zien we regelmatig bij het Friese paard, niet alleen in het hoefgewricht maar ook in het kroongewricht (hoge overhoef). Ook het afbreken van de aanhechting van de strekpees op het hoefbeen leidt tot een wisselende, niet altijd duidelijke kreupelheid. Gelukkig is deze aandoening met röntgenonderzoek eenvoudig vast te stellen.

 

Bij hoefbevangenheid ontstaat er een vochtophoping tussen de lederhuid en de harde hoornschoen. In het acute stadium zijn de paarden ernstig kreupel en dat moet behandeld worden als een spoedgeval: ieder uur telt! In het chronische stadium kunnen vage klachten optreden.
Door de vrij specifieke wijze van lopen in kombinatie met het röntgenonderzoek kan hoefbevangenheid meestal vrij zeker aangetoond worden. In de meeste gevallen kantelt het hoefbeen of zakt binnen de hoornschoen. Deze laatste vorm kan lastig te diagnostiseren zijn en heeft matige vooruitzichten op herstel.


Ook beschadigingen van de buigpezen kunnen leiden tot vage kreupelheden. Bekend is de peesklap waarbij er acuut kreupelheid met een verdikte, warme pees ontstaat. Hierbij scheuren er vezels in de pees of zelfs de hele pees. Is het beschadigde deel in de pees klein dan kan dat makkelijk over het hoofd worden gezien en toch tot vage kreupelheden leiden. Deze beschadigde plekken zijn zichtbaar te maken met echografie.
Bekend of eigenlijk berucht zijn de beschadigingen in het check-ligament, een onderdeel van de buigpezen, waar regelmatig problemen optreden. Het checkligament loopt van de achterkant van de voorknie naar onderen en de meeste problemen doen zich voor in of net onder de voorknie. Vaak is daar wat zwelling of warmte te voelen maar soms is het alleen met echografisch onderzoek vast te stellen.

 

Problemen in de voorknie zelf vinden we meer bij dravers en renpaarden dan bij de andere rassen en geven vaak duidelijke kreupelheid. De elleboog kent in verhouding weinig problemen maar de schouder daarintegen weer wel. Bij jonge paarden komt ocd voor in het schoudergewricht, bij oudere paarden speelt de slijmbeurs voor op de schouder nog wel eens op. Ook de pees waarmee het voorbeen naar voren wordt gebracht kan beschadigd raken. Dat geeft meestal bewegingskreupelheid. Aandoeningen in het schoudergewricht zelf komen weinig voor maar worden misschien ook onvoldoende gediagnostiseerd omdat het lastig is de schouder bij een zwaar paard goed in beeld te brengen.

 

De hals rug en achterbenen volgen in deel 3.

 

S. Boerma
Paardenkliniek Garijp